2011-07-07 - Schuitje Varen

Ik arriveerde precies op tijd in Hakodate. De stad in het zuiden van Hokkaido, het meest noordelijke eiland van Japan, is waar de eerste Japanners in 1868 arriveerden om het eiland te koloniseren. Hedendaags is het nog steeds de meest voor de hand liggende plaats om een veerboot van en naar het eiland te nemen.

Vanuit Tokyo maakte ik mijn weg naar de westkust. Er zijn drie routes naar het noorden van Japan. De oostelijke kustweg is voor het grootste gedeelte verwoest door de tsunami die na de aarbeving op 11 Maart het land in raasde. De snelweg door het midden leid door Fukushima, waar de kernreactor een meltdown had, veroorzaakt door dezelfde vloedgolf. Ondanks de vrijgekomen straling gaat het leven er door zoals altijd. Op de weg langs de westkust is niets aan de hand dus die weg besloot ik te volgen.

Omdat er geen snelweg is kostte het me vier dagen om in Aomori te komen. Verschillende malen werd ik door vriendelijke Japanners die me een lift gaven voor een maaltijd uitgenodigd en degenen die een beetje Engels spraken wisten me wat geschiedenis van de regio te vertellen. De weg langs de kust is erg fraai en het was geen probleem om mijn tent aan het strand op te zetten. In Aomori stapte ik op een boot die me vier uur later in Hakodate afzette.

De kapitein van de zeilboot waarmee ik over het internet contact had opgenomen was de dag ervoor aangekomen. Hij is bezig met een reis rond de wereld en neemt overal bemanning aan boord. Op 4 Juni stapte in Hakodate zijn voorgaande bemanning aan land en ik, samen met een Engelsman en een Amerikaan boordde de 15 meter lange boot. In Kushiro, 2 dagen zeilen naar het oosten stapten er nog twee Zweden op. Onze bestemming was Alaska.

Voordat we vertrokken moest er boodschappen gedaan worden. Voor 6 mensen en de ongeveer 3 weken dat de overtocht tot het eerstvolgende dorpje zou duren. We brachten een bulk pasta en rijst, groente en fruit en vlees voor hoelang dat goed zou blijven, en een berg ingeblikt voer terug van de winkel dat het amper in de bergruimtes paste. We vulden de drinkwater en brandstoftanks, beiden met een duizend liter inhoud. De motor werd gebruikt om de havens in en uit te komen en om op koers te blijven als er geen wind was. Op 9 Juni vertrokken we uit Kushiro.

In de boot waren 4 hutten, waarvan 2 met 2 slaapplaatsen boven elkaar voorin de boot en 2 met een dubbelbed achterin. Ik deelde een voorhut met de Amerikaan. In het midden was een kleine leefruimte met de kombuis en navigatietafel. We hielden wachten van drie uur met 2 man, waarna we dus 6 uur hadden om te slapen en te eten voordat onze volgende wacht was. Om de beurt hadden we kookdienst. Het werk bestond voornamelijk uit het sturen van de boot en oppassen dat we nergens tegen aan voeren. Op de navigatiecomputer konden we via de sateliet onze positie en die van andere boten dichtbij op een kaart zien. De meeste kleine boten hebben geen AIS (Automatic Identification System) en waren dus niet zichtbaar op de computer. Naast de computer was er een radar. Hiermee waren alle objecten van tamelijke omvang in een cirkel om de boot te zien. Op die manier waren de vele vissersboten langs de kust van Japan te zien die niet op de computer zichtbaar waren. Wanneer de wind veranderde moesten de zeilen naar behoren ook gehesen of gereven worden. Naast het hoofdzeil was er een fok en een ’Genua’, een zeil op dezelfde plaats als de fok maar veel groter, groter dan het hoofdzeil. Als de motor liep werkte de autopiloot, die de koers hield waardoor we niet hoefden te sturen, maar tijdens het zeilen was er niet genoeg elektriciteit om de autopiloot fatsoenlijk te laten sturen, waardoor de boot begon te zigzaggen door de oceaan.

De eerste dagen was de zee kalmen hadden we een gunstige wind in de zij. Na een paar dagen kwamen we een berg zooi tegen dat door de stroming in een lange lijn door het water dreef. Niet wetend wat het was dachten we eerst dat het een vissersnet was met zelfgemaakte boeien, maar na hele koelkasten en autobanden en stukjes huis hebben zien drijven beseften we dat dit afval van de tsunami was dat de zee op gedreven is en door de stroming nu hier ronddreef.

Met een sterke wind recht in de zij maakten we de beste snelheid. Hierdoor leunde de boot ook enorm een kant op. Ik merkte al snel dat een klein zeilbootje heel wat anders is als de vrachtboten die ik eerder over verschillende zeeen genomen heb. Dagenlang kwam de wind uit 90 graden stuurboord en leunde de boot dus naar links. Dit maakte het rondbewegen een stuk lastiger. Alles dat niet vast zat pleurde continu door de boot. Eten werd bemoeilijkt omdat een bord of kom niet neergezet kon worden. Als je water uit de kraan wilde moet je er rekening mee houden dat het niet recht de kraan uit stroomde maar ergens naar de zijkant. Al het rondbewegen betrok nu ook de muren. Om in mijn bovenste bed te komen moest ik de muur op lopen. De bedden zelf hadden een kleed aan de zijkant dat opgestrongen kon worden zodat je er niet uit viel. Het meest lastige en iets wat ik dus ook steeds probeerde uit te stellen was naar het toillet gaan. Staan was zowieso niet te doen, en het was erg lastig om te gaan zitten, waarna je je voeten tegen de muur moest zetten om er niet af te vallen.

Na enkele dagen draaide de wind tegen de stroming wat grote golven veroorzaakte en werd de zee ruiger. De Zweedse waarmee ik wacht liep werd zeeziek en ik liep de wachten dus alleen. Ondertussen waren wel ergens in de noordelijke Pacifische Oceaan en het was verrot koud om op het dek achter het roer te zitten. Gelukkig had ik wat wanten en een muts die ik in de Tibetaanse dorpjes in China aangeschaft had bij me, en op de boot was er gevoerde regenkleding.

De wind hield aan en de ruige zee maakte dat de boot nu erg heen en weer klapte. In plaats van een kant op hellen ging het nu alle kanten op. Omdat de voorkant van de boot over de golven heen telkens weer terug in het water viel kon je gewicht elk ogenblik plotseling halveren of verdubbelen. Dit maakte het nog moeilijker om fatsoenlijk rond te bewegen in de kleine ruimtes. Het leek net alsof er een stel straalbelazerde mensen aan boord waren die overal tegenaan liepen en alles omstootten. Mijn bed voorin de boot maakte slapen best moeilijk. Ik werd alle kanten op geslingerd en het ene moment zweefde ik bijna van het bed af en het volgende werd ik diep het matras in gedrukt. Koken was een grote moeite. Niets kon op het aanrecht neergezet worden omdat het er meteen vanaf viel. Het fornuis hing gelukkig in een as door het midden en kon dus met de boot mee schommelen zodat de pannen niet door de boot heen vlogen, maar dannog was het onder een hoek waardoor het eten af en toe maar aan een kant van de pan gaar was.

De Zweedse lag nu al een paar dagen op bed zonder iets te kunnen eten en werd erg zwak. Na 5 dagen maakte de kapitein duidelijk dat als ze niet at dat de consequenties dramatisch konden aflopen, aangezien het nog weken duurde voordat we land zouden zien. Met moeite begon ze een beetje te eten en toen een paar dagen laten de zee iets kalmer werd knapte ze weer op.

Ergens midden in de zee om half 3, 21 Juni zaten we met zijn allen in afwachting rond de GPS, af te tellen tot we 180 graden oosterlengte bereikten. Toen het zover was juigden we onszelf de vorige dag in. In plaats van 180 graden aan te geven liep de GPS nu af van 180 graden west en was het 24 uur vroeger. We waren nu aan de andere kant van de wereld en het was half 3, 20 Juni. We waren allemaal een dag jonger, maar hadden een dag langer geleefd. Dit jaar zal 366 dagen hebben voor ons.

Het leven aan boord viel al snel in een routine. Al snel raakte ik gewend om te denken in knopen en graden en zeemijlen. Omdat ik nooit meer als 6 uur geen wacht had en dus maximaal 5 uur aan een stuk kon slapen, en geen goede slaap, was ik tussen bijna iedere wacht in moe genoeg om weer te gaan slapen. De rest van de tijd bracht ik door in de ’woonkamer’ Het weer in de noordelijke Pacific is mistig. Bijna iedere dag konden we de horizon niet onderscheiden.

Zo ging het enkele weken door totdat we land in zicht kregen. Door de mist zagen we de eerste rotswanden van Amchitka eiland. Dit eiland is een van de laatste van de Amerikaanse eilanden in de Aleoeten, een eilandengroep die van het vasteland van Alaska naar Kamchatka in Rusland lopen. Hoewel dit officieel bij de staat Alaska hoort, ligt het midden tussen Azie en Amerika in. Na een halve dag langs het eiland zeilen kwamen we bij een baai, genaamd ’Constantine Harbour’ waar we voor de nacht voor anker gingen. We waren al zover naar het noorden dat het hier tot middernacht licht bleef. De Amerikaan en ik besloten hiervan gebruik te maken en namen het rubberbootje en roeiden aan land.

Toen we over de duinen het eiland opliepen zagen we de restanten van een oude legerbasis. Een lang verlaten vliegveld strekte zich uit de mist in. In de tweede wereldoorlog hadden de Japanners na het bombarderen van Pearl Harbour Attu en Kiska, de verste twee eilanden van de Aleoeten bezet. Omdat dit een strategische locatie was werd dit niet erg gewaardeerd door de VS. In rap tempo werden er legerbasissen door heel Alaska gebouwd. Ook op Adak en Amchitka, de dichtsbijzijnste eilanden van Attu en Kiska. Met verschillende militaire acties en uiteindelijk een invasie werden hiervandaan de 2 bezette eilanden terug veroverd. Na de oorlog werd de basis op Amchitka gesloopt en verlaten. In de jaren 60 en 70 werden er verschillende atoombommen ondergronds tot ontploffing gebracht. Deze nucleaire tests gaven reden tot protest, en een groep milieu activisten zou later als Greenpeace bekend worden.
Op het eiland is niet veel te zien van de geschiedenis. De legerbasis was compleet gesloopt en de natuur heeft het bijna alles teruggenomen. Tussen de scheuren in het asfalt van het vliegveld groeit lang gras en de funderingen van de gebouwen zijn bijna niet te zien onder het mos. Na de oude basis verkend te hebben volgden we een riviertje via een reeks watervallen de kliffen die de baai omsingelen op. Bovenop waren uitkijkend over de baai de restanten van afweergeschut te zien. Na een paar uur rondgelopen te hebben roeiden we om 1 uur s’nachts in het licht terug naar de boot.

Terwijl we geankerd lagen in de baai lieten we een hengel in het water zakken om te kijken of we ons avondeten konden vangen. Het vlees dat we ingeslagen hadden in Japan was ondertussen allang op. Na een tijdje wachten zagen we onderwater iets bewegen aan de andere kant van de boot. Een zeeleeuw kwam boven water en grijnsde ons aan met een vis in zijn muil. Wij vingen niets.
De volgende dag vertrokken we richting Adak, het volgende noemenswaardige eiland richting het vasteland van Noord Amerika. Zeilend rond de eilandjes zagen we meer van het zeeleven dat zich hier in de omgeving schuilhoud. Hier en daar lag een troep zeehonden te zonnen op de rotsen en zeeotters speelden in het ondiepe water.

Adak is de meest westelijke bewoonde plaats in de Verenigde Staten. 95 mensen bewonen het dorpje waar niets anders is dan een haven en een vliegveld. Hier zagen we dus voor het eerst andere mensen. Terwijl we de haven naderden kraakte de radio. De stem die doorkwam was van de kustwacht en kondigde met een dik Amerikaans accent aan dat de tsunamiwaarschuwing opgeheven werd. Ondanks dat we niets van een tsunamiwaarschuwing gehoord hadden was het goed nieuws dat hij opgeheven werd.
Er is geen immigratiedienst in Adak dus we waren hier nog steeds illegaal in Amerika. Er was slecht weer op komst de aankomende dagen en we waren genoodzaakt hier in de haven de storm uit te zitten.
De inwoners van Adak waren uitzonderlijk vriendelijk. Elaine, de havenmeester, opende haar huis voor ons zodat we een hardnodige douche konden nemen. In de woonkamer hing een kapstok aan de muur waar 4 jachtgeweren en een shotgun aan hingen, een doorsnee arsenaal van de gemiddelde inwoner van Alaska. Die avond werden we op een barbeque uitgenodigd waar de helft van het dorp aanwezig was.
Adak was net als Amchitka een legerbasis. Na de 2e wereldoorlog werd de basis in stand gehouden tot eind jaren 90. Het dorp had toen een inwonersaantal van ongeveer 7000. Toen het leger vertrok liep het dorpje leeg en zijn de huizen, sportzalen, restaurantjes, kantoorgebouwen en het ziekenhuis allemaal verlaten. Slechts enkele huizen worden bewoond door de mensen die niets anders doen dan het dorpje in leven houden voor de haven en het vliegveld. Als ik door de verlaten straten loop zie ik overal de gebouwen in vervalling raken. Hier en daar zijn muren ingestort of omgewaaid. Naast ons zijn er nog 2 zeilboten binnengekomen om te schuilen voor de storm. Samen zijn we een grote bron van vermaak voor de mensen, die elkaar allemaal kennen en slechts zelden andere gezichten zien. We werden in auto’s rond het eiland gereden en overal voor eten uitgenodigd en in de enige bar op drankjes getrakteerd. Wanneer de storm voorbij is vertrekken we weer naar Unalaska, het volgende eiland.

Onderweg naar Dutch Harbor zat ik wat te eten toen de Amerikaan die toen wacht had van het dek naar beneden riep. We renden omhoog en zagen dat we midden in een troep orkas vaarden. Overal om ons heen zagen we rugvinnen door het water bewegen en pluimen water omhoogschieten. Af en toe sprong er een half uit het water, wat een indrukwekkend schouwspel maakte. Toen we Dutch Harbor binnenvoeren zagen we een troep dolfijnen door de haven zwemmen. Ondanks de kou is er genoeg wildlife hier in de omgeving.

Volgens de verhalen is Dutch Harbor genaamd door de Russen nadat er in de 17e eeuw een Nederlands schip in de haven geankerd had. Toen de Russen Alaska in 1867 voor 7.2 miljoen dollar aan de Verenigde Staten verkochten, is de naam in het Engels vertaald. Dutch Harbor is een stadje van ongeveer 4000 inwoners, en qua overslag de grootste vishaven in Amerika. We arriveerden op 1 July. Na een paar dagen het stadje en de omgeving bezocht te hebben was 4 July, de nationale feestdag ter herdenking van de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten, in 1776. Overdag was er een parade door de hoofdstraat, gevolgd door een barbeque. s’Avonds waren er langs het hele strand kampvuren en om middernacht werd er een vuurwerkshow afgestoken. Het was die dag mooi weer en iedereen was opgelaten omdat dit een van de weinige keren is dat het niet mistig is op 4 Juli, wat betekend dat nu het vuurwerk ook echt te zien is. Blijkbaar verdwijnen de pijlen normaal gesproken in de wolken en lichten de wolken alleen een beetje op. Het was nog klaarlicht om middernacht maar het vuurwerk was goed te zien tegen de bergen van Unalaska op de achtergrond. Een knallend welkom in Amerika.
   
Elsbeth en Michiel
Hoi Niels,
Weer een geweldig verhaal. Dit keer op het water maar telkens weer even avontuurlijk. Het is altijd weer genieten als je een nieuw deel van je reis beschrijft. Wij zijn ondertussen terug uit China waar we een deel van jouw reis ook gezien hebben. Het was geweldig. Lhasa moet helaas nog even wachten.
Groet, Elsbeth en Michiel   
2011-07-28
Michiel
Hee Niels,

Zo, dus jij bent nu ook een echte zeerot geworden. Nu nog even over de evenaar varen, Neptunes een handje schudden en dan ben je een volwaardig man van de lange deining. Leuk dat je de oceaan getrotseerd hebt met een zeilboot. De schepen waar ik op vaar gaan niet zo schuin als een zeilboot maar ik herken je verhalen wel. Het zweven in je kooi is mij maar al te goed bekend. Om nog maar te zwijgen over traplopen. Als je het doorhebt gaat het een stuk makkelijker. Veel plezier in Alaska. Helaas heb je de Iditarod gemist. Je kan eventueel gaan trainen voor 2012
Groeten Michiel   
2011-07-14
Lidy en Peter
Hallo Niels\'

Zo ik ben weer bij, ik had een vrije dag dus dacht nu eerst Niels zijn avonturen lezen. Het is me toch allemaal wat, Op TV had ik dat wel eens gezien van die lijken die aan de gieren werden gevoerd, zeer luguber, helemaal als je het in het echt ziet lijkt mij. En dan zo\'n oversteek op een zeilboot, hoe kom je er op. Ik heb je verhalen weer met zeer veel plezier gelezen blijf schrijven dan blijven wij lezen. Heel veel reisgenot in Amerika.
Groeten uit Nieuwveen.   
2011-07-12
:<
:>   
2011-07-08
Betty
Hoi lieffie, wat een avonturen weer. Weer allemaal nieuwe indrukken en ervaringen. Lijkt me supergaaf om tussen de orka\'s en dolfijnen te varen én om kolonies zeerobben en otters in het wild te zien. Wat heb jij toch al een schat aan ervaringen opgedaan op je reis. Dat kan niemand je meer afnemen.

Hier zien we volop koeien en honden net als altijd. Zondag hebben we familiedag met de Jongelingen en maandag wordt opa 89 jaar. En dat is het dan wel weer zo\'n beetje.

Dag kind, ik hoop je weer gauw te spreken via skype.

Hou van je en mis je,XXXXXXXXXXXXXXXXX   
2011-07-07
voeg een reactie toe