Het gedeelte van Thailand waar ik doorheenliftte om van Laos naar Ko Chang te komen wordt maar zelden door toeristen bezocht. De mensen keken allemaal nieuwschierig naar me en verschillende Thaise vrouwen probeerden me tot mijn amusement te versieren. Een van de vrouwen bood me zelfs haar dochter aan om te trouwen, ondanks dat de dochter er zelf niet bij was. Na 3 dagen liften kwam ik aan op Ko Chang, een tropisch eiland dicht bij Bangkok. Hier zag ik Sarah weer, die met een mooie groep mensen op een bijna verlaten strand verbleef. Met deze groep mensen besteedde ik de komende dagen en oud en nieuw op het eiland.
Na Ko Chang maakte ik mijn weg terug naar Bangkok, om daar Daan, een vriend uit Nederland die een paar weken naar Thailand kwam, op het vliegveld te ontmoeten. Eenmaal in het hotel werden mijn smaakpapillen getrakteerd met een pak vla dat hij meegenomen had uit Nederland. We besteedden een dag in Bangkok met een hoop tempels en gebouwen, waarna we de volgende avond meteen een nachtbus naar Chiang Mai in het noorden namen. Hier huurden we een scootertje om een waterval buiten de stad te gaan bekijken, maar omdat het al een tijdje droogseizoen is, was dit niet heel indrukwekkend. Die avond bezochten we een Muay Thai boxwedstrijd. Voor de wedstrijd kwamen er 2 kleine thaise jongetjes van een jaar of 8 in de ring, verkleed in een box outfit. Tot onze verbazing klonk de bel en was dit de eerste wedstrijd. De kleine mannetjes gingen flink op elkaar tekeer volgens de Muay Thai regels. Over tien jaar zijn ze allebij waarschijnlijk gevreesde boksers in Thailand, opgegroeid in een wereld voornamelijk bestaand uit boxen.
De volgende dag vertrokken we op een georganiseerde jungletocht. Dit begon met 3 uur lopen door de jungle naar een olifantenkamp. Eenmaal in het kamp aangekomen mochten we meteen de olifanten op, waarop we een half uur door de jungle gelopen werden. Die nacht brachten we door in een hutje op een heuvel naast het olifantenkamp. De volgende dag werden we naar een dorpje van een bergstam gereden, wat meer een toeristisch was dan traditioneel. Lunch hadden we bij een waterval, waar ondanks het droogseizoen nog wel veel water door stroomde. Hierna gingen we naar een rivier waar we gingen raften. Na levend maar nat door de stroomversnellingen heen gekomen te zijn, wisselden we van vaartuig en gingen we nog een stuk verder de rivier af op een bamboevlot. Die middag terug in Chiang Mai vonden we het tijd voor een Thaise massage (we zaten tenslotte in Thailand). Ik had ergens in een reisgids van iemand gelezen dat er een massagecertrum was waar er ex-gevangenen van de vrouwengevangenis in Chiang Mai werkten, dus vanzelfsprekend gingen we daarnaar op zoek. We liepen de hele stad door, vroegen in verschillende winkels en zaken en zelfs het politiebureau waar het was maar nieand scheen te begrijpen wat we bedoelden. Uiteindelijk zijn we maar een willekeurige massagesalon ingelopen waar we meteen doorgevoerd werden naar de kleedkamer en daarna de massagekamer. De 2 vrouwen begonnen met de massage die het hele lichaam kraakt en strekt. Af en toe werd de behandeling behoorlijk gewelddadig, maar aan het eind voelde mijn lichaam wel lekker los. Toen ik weer in de kleedkamer was zag ik een plakkaat waarop stond dat dit het langgezochte rehabilitatie massagecentrum was, wat meteen de spierkracht van het massagevrouwtje grotendeels verklaarde.
De volgende dag gingen we liften richting Bangkok. De eerste lift kregen we van 2 jonge meisjes die bijna te jong leken om een auto te mogen besturen. Het ging redelijk voorspoedig, totdat we op een gegeven moment een half uur naast de weg stonden te wachten. Hierna besloten we een bus te nemen om de reistijd naar het zuiden te verkorten. Uiteindelijk waren we in totaal nog steeds bijna 3 dagen aan het reizen geweest voordat we op Ko Phi Phi, een eiland in het zuiden van Thailand in de Indische oceaan aankwamen. Dit eiland bleek erg duur en overtoeristisch, maar met een reden, want het aangezicht van het eiland is adembenemend. Gevormd door de kalkstenen rotsen die kaarsrecht de zee uit rijzen en bedekt met dichte jungle. Het dorpje op het eiland lag op een smal stukje land tussen twee baaien in. De voornaamste reden dat we op het eiland waren was vanwege het mooie duiken in de omgeving. We vonden een gezellig duikcentrum waarmee we in de boot gingen. De duikplekken waren allemaal rond Phi Phi Leh, een kleiner eiland vlakbij. Een half uurtje in de duikboot bracht ons daar. De eerste duik was meteen raak, vlak nadat we onder water waren zagen we een leopard shark, en vlak daarna een black tipped reef shark. Het koraal hier was ook adembenemend, met een overvloed aan kleur en onderwaterleven. We konden ongeveer een uur duiken voordat onze lucht op was waarna we terug de boot op gingen. Voor lunch voer de boot naar de baai van Phi Phi Leh, die beroemd is van de film the Beach. Hier lagen we een uurtje terwijl iedereen zijn lunch at en een beetje rond de boot zwom, waarna we naar de tweede duikplek voeren. Hier zagen we een boel gigantische zeeschildpadden lekker grazen op het koraal evenals een hoop pijlstaartroggen, sommige zwemmend, sommige verscholen onder het zand van de bodem. Al met al een heel vruchtbare duikdag.
De volgende dag huurden we een kayak en roeiden we richting de kliffen aan de andere kant van de baai. Een paar andere kayaks waren ook op zee, netjes langs de kust aan het roeien. Niels en Daan niet, die gingen recht door open zee naar de rotswand, waar de zee woest tegenaan beukte. Drijvend in een klein kayakje onderaan leek de muur nog indrukwekkender als van een afstand. Na nog een dag gedoken te hebben en al de gebruikelijke eiland dingen (zwemmen, beetje rondlopen en alles een beetje rustig aan doen) gedaan te hebben vertrokken we weer naar het vasteland.
Er waren nog een paar dagen over voordat Daan weer naar Nederland vloog, dus besloten we nog naar Kanchanaburi te gaan. Deze plaats, twee uurtjes ten westen van Bangkok, is vooral bekend door de "Bridge over the river Kwai", een spoorbrug die in de tweede wereldoorlog gebouwd is en waar een gelijknamige film van gemaakt is. Hier huurden we weer een scootertje om de omgeving te gaan bekijken. Als eerste gingen we naar de brug, die nog steeds in gebruik is. Daarna bezochten we een waterval, die alweer bijna droogstond. De volgende stop was Hellfire pass. Hier stond een museum met veel informatie over de bouw van de spoorlijn, gebouwd door krijgsgevangenen en locale werkkrachten in opdracht van de Japanners. Wegens de barre omstandigheden tijdens het werk stierven er meer dan 100.000 mensen tijdens de bouw, waaronder ook veel Nederlanders uit de Indonesische kolonie.
De volgende dag gingen we terug naar Bangkok, waar we nog een nacht doorbrachten voordat Daan weer naar huis vloog.    
voeg een reactie toe