2009-09-12 - oude berggeit

Van Beirut heb ik een busje terug richting Syrie genomen. Bij de Libanese grens moest ik een exitstempel laten stampen, die de andere mensen in het busje zonder problemen kregen, maar bij mijn paspoort begon de genswacht een beetje moeilijk te kijken en achter zijn oor te krabben. Hij legde in het arabisch aan mij uit wat het probleem was, en er werd een hogere officier bij gehaald. Deze man sprak een paar woorden engels en wist duidelijk te maken dat ik een visum voor een maand had, en maar een week in Libanon was verbleven, wat wel erg verdacht was. Mijn paspoort en ik werden meegenomen naar het kantoor van de commandant voor opheldering. Na een ondervraging wat ik precies in Libanon gedaan had en waarom ik een visum van een maand had (wat ik niet echt uit de arabische stempel op kon maken), werd er druk getelefoneerd en mijn paspoort doorgelicht. Uiteindelijk mocht ik gaan en kon het busje dat op mij stond te wachten vertrekken. Bij de Syrische grens moest ik weer een visum kopen, wat geen probleem was, en zag ik weer de Amerikaan zitten die ik ook op de Turks-Syrische grens tegenkwam. Ditmaal zat hij al 6 uur te wachten op zijn visum.
In Damascus ben ik naar hotel al-Rabie gegaan, waar ik een groep reizigers tegenkwam die elkaar allemaal onderweg tegen waren gekomen en nu met elkaar reisden. Die avond zijn we met zijn allen uit eten gegaan, wat na zonsondergang geen probleem is, in tegenstelling tot overdag, wanneer er nergens voedsel te vinden is tijdens Ramadan. De volgende dagen heb ik met deze groep doorgebracht in Damascus, tot het grootste deel weer vertrok. Twee Australiers bleven in Damascus om er Arabisch te gaan studeren, en hadden een kamer gehuurd waar ik ook een paar dagen kon overnachten. Ze hadden een Belg overgehaald om ook te blijven en Arabisch te studeren, en met deze groep besteedden we het grootste deel van de dag met eten zoeken. Een van de Australiers was van plan om zijn baard te laten trimmen bij de kapper, wat voor mij de gelegenheid was om tegelijkertijd de ragebol van mijn hoofd te laten verwijderen. Na een paar dagen besloot ik weer te vertrekken, en trok ik de woestijn in.
Midden in de Syrische woestijn ligt een stad, Palmyra, waarnaast de ruines van een romeinse stad met dezelfde naam liggen. Deze stad was in vroegere tijden een tussenstop voor de karavanen die de handelsroute tussen de Middellandse zee en de Euphrates aflegden. In die tijd duurde het dagen, maar tegenwoordig is het vier uur rijden door de woestijn om er te komen. Na hier een tijdje rongelopen te hebben ben ik doorgegaan naar de Deir ez Zur aan de Euphrates. Hier waren ze duidelijk nog niet echt aan toeristen gewend. Het duurde ook niet lang voordat ik een stroompje kinderen achter me aan had lopen die toen ze in de gaten hadden dat ik een kastje had waarmee ik plaatjes van ze kon maken niets anders meer wilden dan op de foto gaan.
Van Deir ez Zur ben ik naar Raqqa gegaan vanwaar ik naar het noorden terug naar Turkije ben gegaan. Bij de Turkse grens stond een mannetje met een mondkapje die in het Turks tegen me aan begon te ouwehoeren en een apparaat in mijn oor duwde. Later vertelde een andere grenswacht me in het Engels dat het een controle was of ik de varkensgriep had. Eenmaal weer aan het liften kwam ik door dorpjes waar ik net als in Deir ez Zur aangegaapt werd alsof ik een buitenlander was, wat ik nogal vreemd vond omdat dit in het westen van Turkije totaal niet het geval was. Totdat een man die me een lift gaf en Duits sprak me duidelijk maakte dat ik me in het Koerdische gedeelte van Turkije bevond en ze hier nooit iemand van buitenaf zagen. Na een paar dagen arriveerde ik in Ayder, een dorpje hoog in de Kackar bergen dat een goede uitvalsbasis is voor als je de bergen in wilt. In het pension ontmoette ik Eric, een Amerikaan en Deniz en Gokben, 2 Turkse meiden die ook de bergen in gingen. De volgende dag zijn we met zijn vieren vertrokken naar een aantal meren boven in de bergen. Toen we bijna boven waren kwamen we een 70 jaar oud Turks vrouwtje tegen, waarmee we via Deniz en Gokben konden communiceren. Ze was vroeg in de ochtend vertrokken en had de route waar wij nog mee aan het worstelen waren al op haar gemakkie afgelegd. We konden natuurlijk niet verder voordat we allemaal met deze berggeit op de foto stonden. Eenmaal bij de meren aangekomen hadden we een paar uurtjes rust waarna de andere drie weer naar beneden gingen. Ik besloot bij de meren te kamperen om de volgende dag de pas van zo’n 3300 meter te beklimmen. s’Nachts barstte er een gigantische onweersbui los waarin ik dacht dat mijn tentje met mij erin weg zou waaien, en anders wel getroffen zou worden door de bliksem. Dit gebeurde allebei niet en de volgende dag was het weer droog. Toen ik mijn tentje ingepakt had kwam er net een Israelisch koppel bij de meren aan die het de dag ervoor net niet gehaald hadden voor de bui, en op de helling hadden moeten bivakeren die nacht. Met dit koppel heb ik ontbeten bij de meren, waarna ik mijn weg naar de pas gemaakt heb.
Op de terugweg naar beneden kwam ik een paar andere Israeliers tegen die ook op weg terug naar Ayder waren, en met hen heb ik lunch gegeten. Terug in Ayder was Eric nog in het pension, en net van plan om naar de hamam te gaan met een paar Israeliers, en omdat ik aardig gebroken was besloot ik mee te gaan. De hamam had een heet bad dat gevoed werd door een hete bron. Het water was ongeveer 55 tot 60 graden, wat voor mij net een beetje aan de hete kant is, en waarin het me ook niet lukte om langer dan een paar minuten in te blijven. Op een gegeven moment kwamen er een paar locale mannen de hamam in die zonder blikken of blozen in het bad doken en er ook lekker in bleven poedelen. Na de hamam heb ik het avondeten met een paar Israeliers genuttigd, die me duidelijk maakten dat dit zo’n populaire bestemming was voor Israeliers omdat dit de dichtstbijzijnde plek was waar ze de bergen in konden.
De volgende dag ben ik de bergen uit gegaan richting Georgie, om er de volgende dag aan te komen.
   
voeg een reactie toe